Reliance
Newsflash

Wet tot schorsing opzeggingstermijn tijdens tijdelijke werkloosheid wegens overmacht (Covid-19)

Delen

Wet tot schorsing opzeggingstermijn tijdens tijdelijke werkloosheid wegens overmacht (Covid-19)

Situering

In enkele eerdere newflashes (15 mei 2020 en 7 mei 2020) kon u de parlementaire werkzaamheden volgen omtrent de al dan niet schorsing van opzeggingstermijnen tijdens periodes van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht (Covid-19). Aangezien, zo werd aangenomen, er geen schorsing van de opzeggingstermijn was tijdens periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst als gevolg van overmacht (Covid-19 of andere), ontvingen werknemers tijdens de opzeggingstermijn een werkloosheidsuitkering voor de dagen inactiviteit in plaats van het loon voor die dagen. Voor werknemers die werden ontslagen met een opzeggingsvergoeding, stelde voormelde discussie zich niet.

Deze polemiek kreeg een voorlopig sluitstuk op 11 juni 2020. Op die datum keurde het Parlement een wet goed die de schorsing van de opzeggingstermijn als regel vooropstelt bij ontslag door de werkgever.

Inhoud nieuwe wet

De wet wordt van toepassing bij publicatie in het Belgisch Staatsblad (dit gebeurt naar verwachting eerstdaags). Op dat moment loopt de opzeggingstermijn niet (meer) tijdens de periode van tijdelijke werkloosheid wegens Covid-19. Over andere gevallen van overmacht vermeldt de wet niets.

Het is hierbij van geen belang of de opzegging werd gegeven vóór een periode van tijdelijke werkloosheid wegens Covid-19, dan wel tijdens. Voor elke dag tijdelijke werkloosheid wordt de opzeggingstermijn geschorst. De opzeggingstermijn wordt met andere woorden verlengd voor elke dag waarop de werknemer in het systeem van tijdelijke werkloosheid werd geplaatst.

Bij opzegging door de werknemer gegeven vóór of tijdens de schorsing, loopt de opzeggingstermijn wel tijdens die schorsing.

Voormeld mechanisme is identiek aan het al (lang) bestaande principe van, bijvoorbeeld, schorsing van de opzeggingstermijn tijdens ziekte, vakantie en tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen.

De wet voorziet dat de opzeggingstermijn blijft doorlopen (dus zelfs op dagen van tijdelijke werkloosheid wegens Covid-19) indien deze reeds “lopend was vóór” (zondag) 1 maart 2020. Gezien opzeggingstermijnen, aldus de Wet op de arbeidsovereenkomsten, steeds op een maandag beginnen lopen, zou dit dus strikt genomen betekenen dat de opzeggingstermijn uiterlijk moet zijn beginnen lopen ten laatste op maandag 24 februari 2020.

Is de opzeggingstermijn reeds verstreken op datum van de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad, dan verandert er niets. De wet heeft op dat vlak geen retroactieve werking.

Kritiek Raad van State

Een aantal amendementen hebben de uiteindelijke wet niet gehaald, onder meer gezien de kritiek die de Raad van State had geuit in een advies van 5 juni 2020. Zo voorzag een amendement in een retroactieve werking voor de opzeggingstermijnen die op 5 mei 2020 nog lopende waren. Volgens de Raad van State diende hier te worden van afgezien, aangezien een retroactiviteit enkel toegelaten is wanneer ze onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Aan deze voorwaarde was, aldus de Raad van State, niet voldaan.

Resterende problemen ?

Bepaalde punten van kritiek die de Raad van State had geuit in zijn advies van 5 juni 2020, blijven echter ook in de huidige wet nog steeds onopgelost.

Zo had de Raad van State mogelijke onverenigbaarheden met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie opgemerkt, die in de huidige wet nog steeds zijn opgenomen :

(i) Enerzijds beperkt de wet de toepassing van de schorsing van de opzeggingstermijn tot één vorm van schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht (Covid-19), hetgeen een verschil in behandeling creëert al naargelang de reden van de overmacht die wordt ingeroepen. Volgens de Raad van State ontbreekt de vereiste verantwoording voor dit verschil in behandeling.
Hierbij rijst dan ook de vraag of een dergelijke schorsing van de opzeggingstermijn niet altijd al wettelijk moest worden geregeld in situaties van tijdelijke werkloosheid bij overmacht en dit voor alle vormen van overmacht (en niet enkel in geval van tijdelijke werkloosheid omwille van Covid-19), net zoals bij tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen en ook in het geval van bijvoorbeeld ziekte en vakantie.

(ii) Daarnaast zag de Raad van State eveneens een mogelijke discriminatie in de regel dat in geval de opzeggingstermijn reeds lopende was voor 1 maart 2020, deze opzeggingstermijn wel gewoon doorloopt (en de werkgever in een aanvulling op de uitkering tijdelijke werkloosheid dient te voorzien, doch deze specifieke verplichting haalde de uiteindelijke wet niet). In dit opzicht lijkt deze “scharnierdatum”, eveneens gelet op rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, onvoldoende gemotiveerd.

Mogelijks leiden voormelde punten in de toekomst daarom alsnog tot discussie.

Reliance

12/06/2020

 

Delen