Reliance
Newsflash

Uitzendarbeid : bemachtig tijdig je handtekening !

Delen

Uitzendkrachten worden zo goed als steeds tewerk gesteld met contracten voor bepaalde duur. Een wijdverspreid probleem in de uitzendsector, is echter het tijdig ondertekenen van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid : tot 1 oktober 2016 had men hiervoor nog twee werkdagen de tijd (gerekend vanaf de indiensttreding), vanaf 1 oktober 2016 voorziet de wetgeving echter dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de uitzendkracht in dienst treedt. In praktijk is het echter moeilijk om tijdig de handtekening van de uitzendkracht te bemachtigen. De sanctie bij niet-naleving van bovenvermelde regel is nochtans niet min : de arbeidsovereenkomst wordt onderworpen aan de regels van overeenkomsten voor onbepaalde duur. Dit heeft vooral een invloed op de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Uitzendkantoren worden dan ook regelmatig geconfronteerd met een vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding wanneer de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid niet tijdig werd afgesloten en de samenwerking tussen partijen tot een einde is gekomen. Rechtspraak veroordeelde de uitzendkantoren veelvuldig tot betaling van dergelijke vergoeding, ook wanneer het uitzendkantoor zelf wél diligent was geweest en tijdig een geschrift had opgesteld en overgemaakt aan de uitzendkracht. Dergelijke veroordeling werd dan ook vaak als onrechtvaardig ervaren.

Geen ontslag, geen opzeggingsvergoeding

De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge kwam recent tot een ander besluit. Het betrof een uitzendkracht die niet tijdig een schriftelijke arbeidsovereenkomst had ontvangen. De uitzendkracht had bovendien geweigerd de overeenkomst te ondertekenen, omwille van een discussie omtrent de functie die op het document stond vermeld. Voor de arbeidsrechtbank werd de betaling van een opzeggingsvergoeding gevorderd.

Het uitzendkantoor betwistte deze vordering met het argument dat zij geen enkele ontslaghandeling had gesteld : indien er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, was deze tot een einde gekomen doordat de werknemer zich niet meer had aangeboden op het werk. De arbeidsrechtbank aanvaarde dit argument en verwierp de vordering, gezien er niet bewezen werd dat de uitzendkracht was ontslagen.

Sinds 2016 : temperen van de sanctie bij elektronische overeenkomsten

De redenering van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge wordt evenwel slechts aangehangen door een minderheid van de rechtspraak. Met de wetswijziging van 2016 – waarbij de 48u-regel voor de ondertekening van een geschrift werd afgeschaft – heeft de wetgever getracht om de sanctie voor de uitzendkantoren te verzachten. De arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid moet nu weliswaar worden ondertekend voor de indiensttreding, doch bij gebrek aan tijdige ondertekening wordt de overeenkomst toch niet onderworpen aan de regels voor onbepaalde duur indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan :

  • De bedoeling om de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid te sluiten, werd schriftelijk vastgelegd uiterlijk voor de uitzendkracht een eerste maal in dienst treedt van het uitzendkantoor ;
  • Het uitzendkantoor heeft voorafgaand aan de indiensttreding een ontwerp van elektronische arbeidsovereenkomst ter ondertekening toegezonden aan de uitzendkracht, doch de uitzendkracht heeft deze niet tijdig ondertekend ;
  • De uitzendkracht heeft het werk aangevat op het tijdstip zoals voorzien in dit ontwerp ;
  • Het uitzendkantoor heeft de indiensttreding aangegeven a.d.h.v. een DIMONA-aangifte uiterlijk op het tijdstip van de start van de prestaties van de uitzendkracht bij de gebruiker.

Deze uitzondering geldt dus enkel voor elektronische arbeidsovereenkomsten. De wetgever heeft deze zo willen stimuleren. Voor papieren arbeidsovereenkomsten wordt er geen uitweg geboden. Een gedreven opvolging van de ondertekening van de arbeidsovereenkomsten blijft aldus geboden.

Yne Machiels

Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge
3 oktober 2017
AR 16/2257/A
onuitg.
Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend.

Delen