Reliance
Newsflash

Het niet betalen van een opzeggingsvergoeding is geen strafrechtelijk misdrijf. De vijfjarige verjaringstermijn is niet van toepassing.

Delen

In haar arrest van 12 maart 2018 heeft het Arbeidshof van Brussel van de gelegenheid gebruik gemaakt om de geldende principes m.b.t. de verjaring bij het niet betalen van een opzeggingsvergoeding in herinnering te brengen.

Wij brengen ter herinnering dat op grond van artikel 15 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst verjaren. Niettemin, indien de rechtsvordering van de werknemer gebaseerd is op het begaan van een strafrechtelijk misdrijf door de werkgever, zal de verjaringstermijn van 5 jaar zoals voorzien in artikel 2262bis §1, 2e lid van het Burgerlijk Wetboek gelden. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Het niet betalen van loon is een strafrechtelijk misdrijf dat gesanctioneerd kan worden met een administratieve geldboete van minimum 200 € en maximum 2.000 € of met een strafrechtelijke geldboete van minimum 400 € en maximum 4.000 € per werknemer (artikel 162 van het Sociaal Strafwetboek).

Wordt de opzeggingsvergoeding door deze strafrechtelijke bepaling beoogd? Neen.

Zoals in herinnering gebracht door het Arbeidshof van Brussel, met verwijzing naar de bepalingen die van kracht waren voor de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek en de voorbereidende werken van deze laatste, heeft de wetgever niet de intentie gehad om het niet betalen van de opzeggingsvergoeding te bestraffen, maar enkel het niet betalen van het loon zoals gedefinieerd door de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon.

Op grond van deze wet bestaat het loon uit het loon in geld en de voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever (artikel 2). Met andere woorden, het loon is de tegenhanger van de arbeid.

Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie valt de opzeggingsvergoeding niet onder dit begrip aangezien het in feite geen tegenhanger is van arbeid, maar wel een forfaitaire wettelijke vergoeding voor de schade die de werknemer lijdt door het ontslag zonder kennisgeving van een opzeg en aangezien de vordering van de werknemer anderzijds pas ontstaat op het moment dat de arbeidsovereenkomst een einde neemt.

Bijgevolg dient de werknemer de betaling van de opzeggingsvergoeding van de werkgever te vorderen binnen het jaar na de verbreking van de arbeidsovereenkomst en kan de werkgever niet veroordeeld worden tot strafrechtelijke sancties wegens niet betaling ervan.

Christine Rizzo

Arbh. Brussel
12 maart 2018
J.T.T.
2018, p. 296

Delen