Reliance
Newsflash

Procedure deels winnen, maar toch veroordeeld worden tot alle gerechtskosten? Het kan!

Delen

Een werkneemster die een juridische procedure inspande tegen haar ex-werkgever en voor een deel van haar vorderingen ook effectief in het gelijk werd gesteld, kwam voor een nare verrassing te staan.

Hoewel zij de procedure – minstens deels – gewonnen had, werd zij door het arbeidshof veroordeeld tot het geheel van de gerechtskosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding (RPV) is een forfaitaire vergoeding bedoeld om de advocatenkosten van de winnende partij (gedeeltelijk) te dekken. Het bedrag ervan is afhankelijk van de omvang van de vordering van de eisende partij. De RPV wordt toegekend aan de in het gelijk gestelde partij en dient door de verliezende partij betaald te worden.

Waarover ging het?

De voltijdse werkneemster in kwestie werd ontslagen net na haar terugkeer uit halftijds ouderschapsverlof. De werkgever deelde mee dat haar ontslag het gevolg was van het feit dat men tijdens dit halftijds ouderschapsverlof tot de constatatie was gekomen dat het takenpakket van de werkneemster in feite slechts een halftijdse betrekking inhield. De werkgever argumenteerde echter dat de ontslagreden geheel vreemd was aan het ouderschapsverlof.

Eerste aanleg deels gewonnen

De werkneemster trok naar de arbeidsrechtbank en bekwam de veroordeling van haar ex-werkgever tot betaling van (i) een aanvullende opzeggingsvergoeding, (ii) achterstallig feestdagenloon en (iii) een beschermingsvergoeding ouderschapsverlof gelijk aan 6 maanden loon. Haar vorderingen inzake kennelijk onredelijk ontslag (CAO 109) en achterstallige bonusbedragen werden daarentegen niet toegekend.

Concreet “won” de werkneemster in eerste aanleg dus 3 op 5 vorderingen en “verloor” zij er 2 op 5. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de basis-RPV aan de werkneemster.

Ook hoger beroep deels gewonnen

De werkgever ging in hoger beroep tegen het vonnis.

Het arbeidshof hervormde het vonnis op twee punten: (i) de werkneemster werd méér feestdagenloon toegekend dat in eerste aanleg, maar (ii) haar vordering m.b.t. de beschermingsvergoeding ouderschapsverlof werd afgewezen.

Uiteindelijk “won” de werkneemster dus 2 op 5 vorderingen (aanvullende opzeggingsvergoeding en feestdagenloon) en “verloor” zij er 3 op 5 (ouderschapsverlof, CAO 109 en bonus).

Maar toch veroordeeld tot alle kosten

Hoewel er dus werd bevestigd dat de werkgever zijn wettelijke werkgeversverplichtingen op minstens twee punten niet correct is nagekomen, werd de werkneemster finaal toch veroordeeld tot betaling van de volledige basis-RPV aan haar ex-werkgever, en dit zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (in casu in totaal 7.200 € netto).

Het resultaat is dat de werkneemster veel meer moet ophoesten (ook rekening houdend met haar eigen gerechtskosten) dan de aanslepende juridische procedure haar heeft opgebracht.

Dit lijkt onbillijk. Laat de wet dit toe?

Artikel 1017 van het Gerechtelijk wetboek bepaalt dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet verwijzen. Het artikel voorziet echter in de mogelijkheid om de kosten over beide partijen te verdelen, wanneer zij respectievelijk omtrent bepaalde geschilpunten in het ongelijk zijn gesteld.

Dit laatste is evenwel slechts een mogelijkheid, maar geen verplichting voor de rechter.

De wet laat de rechter dus de volledige vrijheid wanneer beide partijen winnen én verliezen: hij kan ofwel één van beide partijen tot de totale kosten veroordelen, hetzij de kosten over beide partijen verdelen.

Dit arrest is juridisch correct, maar lijkt toch een onrechtvaardige uitkomst te bieden.

Particulieren / werknemers moeten zich dus bewust zijn van dit reële risico bij het inleiden van een gerechtelijke procedure.

Julie Rousseau

Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt
7 november 2017
AR 2016/AH/288
onuitg.

Delen