Openbare bestuur mag het dragen van religieuze symbolen op het werk verbieden

06/12/2023

België heeft reeds verschillende discussies gekend over het dragen van religieuze symbolen op de werkvloer. Vaak hebben deze discussies betrekking op het dragen van de hoofddoek. Een verbod op dergelijke symbolen kadert vaak in een neutraliteitsbeleid dat de werkgever wil opleggen.

 

Ook (lokale) overheden worstelen met het vraagstuk. De wens van de werkgever om zich neutraal op te stellen, wordt dan in een weegschaal gelegd t.o.v. de vrijheid van de werknemer om zijn of haar religie te beleven.

In een recent arrest, heeft het Europese Hof van Justitie zich over de discussie uitgesproken.

 

Het Europees Hof van Justitie oordeelt in haar arrest van 28 november 2023 dat een openbaar bestuur een interne regel kan opleggen die de personeelsleden van dat bestuur op algemene wijze verbiedt om op het werk zichtbare tekens te dragen waaruit levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen blijken. Een dergelijke regel kan worden gerechtvaardigd door de wens van het bestuur om een volkomen neutrale overheidsomgeving tot stand te brengen. Concreet bekeken dient de regel dan wel effectief geschikt, noodzakelijk en evenredig te zijn in de gegeven context – of dit het geval is, dient de nationale rechter te beoordelen.

 

Het Europees Hof van Justitie velde dit arrest naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Luikse arbeidsrechtbank. Het dossier ging om een werknemer bij een gemeente die sinds april 2016 in dienst was in een backoffice functie. Tot februari 2021 oefende zij haar functie uit zonder tekens te dragen waaruit haar religieuze overtuiging kon blijken en zonder daarop aanspraak te maken. In februari 2021 verzocht zij de gemeente een hoofddoek op het werk te mogen dragen. Diezelfde maand werd dit verzoek voorlopig afgewezen. In maart 2021 wijzigde het gemeentebestuur het arbeidsreglement en nam het er met name een verplichting tot „exclusieve neutraliteit” op het werk in op. Het betrof een verbod voor alle werknemers van de gemeente om op het werk enig zichtbaar teken te dragen waaruit hun met name religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging kan blijken, ongeacht of zij al dan niet in contact komen met het publiek (dan wel enkel contact hebben met hun hiërarchische meerderen en collega’s). 

 

De werkneemster achtte zich gediscrimineerd op basis van haar geloof en stapte naar de arbeidsrechtbank.

 

In deze context wenste de Luikse arbeidsrechtbank te vernemen of er sprake is van (in)directe discriminatie in de zin van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. 

Wat directe discriminatie betreft, oordeelt het Hof dat een interne regel slechts directe discriminatie kan opleveren als het criterium dat ziet op het dragen van de tekens onlosmakelijk verbonden is met een (of meerdere) bepaalde godsdienst(en) of overtuiging(en). Anders gesteld, is er geen directe discriminatie als de regel geldt zonder onderscheid voor alle uitingen van levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen en alle werknemers van de onderneming op dezelfde wijze behandelt door hen op algemene en niet-gedifferentieerde wijze te verplichten zich neutraal te kleden.

 

Tenzij de nationale rechter zou vaststellen dat de werknemer, ondanks de algemene en niet-gedifferentieerde wijze waarop het arbeidsreglement is geformuleerd, anders is behandeld dan andere werknemers die hun met name religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen mochten uiten door het dragen van een zichtbaar teken, is er geen sprake van directe discriminatie.

 

Wat indirecte discriminatie betreft, herinnert het Hof eraan dat er sprake is van indirecte discriminatie wanneer de in de interne regel opgenomen ogenschijnlijk neutrale verplichting in feite tot gevolg heeft dat personen die een bepaalde godsdienst aanhangen of een bepaalde overtuiging hebben bijzonder worden benadeeld, zonder dat een dergelijk verschil in behandeling objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Hoewel de nationale rechter finaal bevoegd is om de feiten te beoordelen, is het Hof bevoegd om aanwijzingen te geven. 

 

De gemeente voert aan dat de interne regel ertoe strekt uitvoering te geven aan het beginsel van neutraliteit van de openbare dienst (dat zijn rechtsgrondslag vindt in de Belgische Grondwet, het onpartijdigheidsbeginsel en het beginsel van staatsneutraliteit). Het Hof oordeelt dat elke lidstaat (incl. lagere overheden binnen de hun toegekende bevoegdheden) over een beoordelingsmarge beschikt bij het vormgeven van de neutraliteit van de openbare dienst die die lidstaat op het werk wil bevorderen. Het beleid van „exclusieve neutraliteit” kan dus, naargelang van de specifieke eigen context, worden geacht objectief te worden gerechtvaardigd door een legitiem doel. Dat geldt evenzo voor een verschillend neutraliteitsbeleid waar een andere overheidsdienst naargelang van de specifieke eigen context voor zou kiezen, zoals een algemene toestemming om zichtbare tekens van levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen te dragen, ook in contacten met het publiek, of een verbod op het dragen van die tekens dat beperkt is tot situaties waarin er van dergelijke contacten sprake is. Of een overheid er goed aan doet om de neutraliteit na te streven, is dus een kwestie waar het Hof zich niet over uitspreekt. Het Hof laat in het arrest veel ruimte aan de lidstaten, die in geval van betwisting finaal zullen moeten oordelen of een verbod gerechtvaardigd is.

 

Vervolgens geeft het Hof aan dat de interne regel bovendien geschikt dient te zijn om de goede toepassing van het nagestreefde doel te verzekeren. Het Hof geeft aan dat dit in voorliggend geval veronderstelt dat het doel van „exclusieve neutraliteit” daadwerkelijk coherent en systematisch wordt nagestreefd en dat het verbod op het dragen van zichtbare tekens niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

 

Het Hof merkt in deze context op dat het legitieme doel om een volkomen neutrale overheidsomgeving te verzekeren door middel van een beleid van „exclusieve neutraliteit” alleen doeltreffend kan worden nagestreefd als geen enkele zichtbare uiting van levensbeschouwelijke of religieuze overtuigingen is toegestaan; elk teken – zelfs een klein – ondermijnt de geschiktheid van de maatregel om het vermeende doel te bereiken en daarmee de coherentie van dat beleid.

Het is nu aan de arbeidsrechtbank van Luik om uit te maken of het verbod van de gemeente inderdaad systematisch en noodzakelijk is. De rechtbank heeft al geoordeeld dat de individuele beslissing van februari 2021 die aan het algemene arbeidsreglement voorafging en de hoofddoek tijdelijk verbood, een vorm van directe discriminatie zou zijn.

 

Het arrest van 28 november 2023 is in lijn met eerdere uitspraken over privéwerkgevers.

Een neutraliteitsbeleid op de werkvloer is op zich dus niet onmogelijk. Wel dient de werkgever na te gaan of zo’n neutraliteitsbeleid noodzakelijk is om een gerechtvaardigd doel te bereiken – dit moet geval per geval worden bekeken, rekening houdend met de concrete situatie van de onderneming.

De experten van Reliance Littler zijn beschikbaar indien u bijstand wenst of vragen hebt.